woensdag 4 augustus 2021

HET VALSE APPEL ARCHIEF - Aflevering 19

 




Kunstvervalsing is natuurlijk niet alleen een misdaad, het is ook een bron van amusement. De kunstvervalser, mits enigszins mediageniek natuurlijk, wordt al gauw een soort halve Robin Hood die van de rijken steelt, of een Pietje Bell die al die al die arrogante zogenaamde experts toch maar mooi even te kakken zet en zo hier en daar een lichte sympathie opwekt. Het mag natuurlijk niet, maar ….

Na het verschijnen van Magenta – Avonturen van een meestervervalser in 1998 werd Geert Jan Jansen een graag geziene gast in tal van praatprogramma’s, waar hij, minzaam glimlachend, steeds dezelfde antwoorden gaf op dezelfde vragen. Ivo Niehe (wie anders, zou je bijna zeggen) wijdde zelfs een hele uitzending van de TV-show aan valse kunst, waarbij uiteraard even Van Meegeren langskwam (compleet met archiefbeelden!) en de dagboeken van Hitler, maar waar toch het overgrote deel van de zendtijd opging aan Geert Jan Jansen. De TROS had er, dat dient gezegd, wel werk van gemaakt. Beelden van het kasteel in Frankrijk waar de vervalsingen waren gevonden, interviews met de Franse politie en de Duitse (toen nog) inspecteur Ernst Schöller die Jansen in Duitsland ontmaskerde, commentaar van Karel Appel en dat alles rijkelijk gelardeerd met foto’s uit het Jansen-archief.

Kort geleden werd deze aflevering in een nieuwe versie herhaald, nu uitgebreid met gesprekken met de Jansen-van-nu, die in kasteel Beverweerd in Utrecht naast eigen werk op grote schaal meesterwerken ‘in de stijl van’ produceert en daar goede zaken mee doet. Op zich geen zaken om u mee lastig te vallen, ware het niet dat er ergens midden in de oude uitzending een krant of tijdschrift in beeld kwam met de kop ‘Een van deze twee litho’s is vals’, met daaronder twee op het oog identieke prenten van Karel Appel. En omdat de eigentijdse tv, anders dan twintig jaar geleden, is uitgerust met een pauzeknop, konden we beide plaatjes nu iets uitgebreider bekijken. Helaas was de tekst niet leesbaar en kleurenkwaliteit bedroevend, toch viel er iets uit op te maken. Dezelfde prent zat namelijk ook in het Appel-archief, aangemerkt als ‘verdacht’ en ‘afkomstig uit dubieuze bron’, maar hard bewijs viel bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal niet te leveren. Tot nu. Want zelfs bij deze slechte kwaliteit reproducties vallen enkele kleine, maar onmiskenbare verschillen op. En voor praktische doeleinden is het, zoals eerder in dit Valse Appel Archief uiteengezet, dan het gemakkelijkst om je te concentreren op één detail, zodat je in het vervolg in een oogopslag de valse van de echte prent kunt onderscheiden. En hier is dat het zwarte streepje dat onder de mond het rode van het blauwe kleurvlak scheidt. In de vervalsing (links) vinden we alleen een paarsblauw lijntje, zo te zien gedrukt in dezelfde kleurgang als de mond, terwijl dat in het origineel zwart is. Het is, inderdaad, het soort afwijkingen dat we ook in eerdere afleveringen van het VAA zijn tegengekomen.

 




 


 [Dit is, helaas, de enige afbeelding die ik van het origineel heb. Voor een betere houd ik mij aanbevolen.]

 


- VOOR OUDERE AFLEVERINGEN, TYPE 'VALSE APPEL ARCHIEF' IN OP GOOGLE - 


dinsdag 22 augustus 2017

ART CRIME: DE VIERKANTE KAT





Het wordt de hoogste tijd voor een nieuwe aflevering uit de serie Art Crime en het gaat, hoe kan het anders, over Karel Appel. Van een Belgische verzamelaar kreeg ik het verzoek om mijn licht te laten schijnen over deze twee Appels uit 1951. De ene is bekend en staat afgebeeld in boeken van Appel. De andere werd hem aangeboden uit de stock van een bekende doch verdwenen galerie. Wat te doen?

Ik citeer uit mijn antwoordmail:

‘Beste,
Het komt vaak voor dat een kunstenaar in series werkt, dat hij een aantal varianten maakt waarin hij gebruik maakt van dezelfde beeldelementen. Maar het essentiële punt daarbij is dat iedere nieuwe variant wezenlijk moet verschillen van de vorige, ook al komen dezelfde beeldelementen daarin terug. En dat is het probleem bij deze twee afbeeldingen. De tweede is het schilderij ‘Vierkante kat’ uit 1951. Uw afbeelding lijkt geen variant daarop, waarin met dezelfde beeldelementen iets nieuws wordt geprobeerd, maar een aftreksel daarvan, zonder dat er iets nieuws wordt toegevoegd. Sterker nog, er gaan dingen verloren. In vergelijking heeft uw afbeelding iets karikaturaals. De penseelstreek is veel grover, allerlei details en subtiliteiten zijn weggelaten zonder dat er iets anders voor in de plaats komt.

Dat een vervalser een bestaand werk als voorbeeld neemt, is niet ongewoon. Gelukkig maar, zou je kunnen zeggen, want dan kun je hem soms nog ontmaskeren. Op hetzelfde blog heb ik ooit een stukje geschreven over een valse Lucebert die op dezelfde manier was gemaakt: gebaseerd op een bestaand werk, in de hoop dat mensen dat niet zouden kennen. Ik had geluk dat ik ergens het origineel ontdekte. Het wordt veel moeilijker als een vervalser niet kopieert, maar een nieuw werk met ‘authentieke’ elementen wil maken en daarin ook nog tot op zekere hoogte in slaagt. Maar dat is hier zeker niet het geval. Maar komt vooral omdat we de beide afbeeldingen naast elkaar kunnen leggen. Zonder die vergelijking zou ik me goed kunnen voorstellen dat het voor een ‘echte’ Appel verkocht werd, te goeder of te kwader trouw.

Mijn conclusie: dit is een imitatie-Appel, en niet eens een hele slechte. Maar een Appel is het niet. Ik zou mij de vingers er niet aan branden.’


*   *   *

 En omdat alles tegenwoordig in quizvorm schijnt te moeten, aan u, beste bloglezer, de schone taak om te bepalen welk van de twee afgebeelde schilderijen onze Belgische verzamelaar kreeg aangeboden.

zaterdag 10 juni 2017

HET KAF & HET KOREN 1

Veilinghuis Dickhaut in Maastricht biedt in de veiling van 12 juni dit bijzondere zelfportret aan van de destijds 21-jarige Ger Lataster.




 Kavel 960 - Ger Lataster (1920-2012), olieverf op doek, Zelfportret, gemon. l.o., gedat. '41, afm. 86 x 70 cm, Herkomst: familie Frans Timmers, min. besch. Verfoppervlak
Aangeboden bij Venduehuis Dickhaut, Maastricht, 12 juni

donderdag 16 maart 2017

BART VAN DER LECK BIJ WALRECHT, DEN HAAG - 1913


Dit jaar wordt, het kan niemand zijn ontgaan, oprichting van De Stijl herdacht. Door het hele land wordt in een groot aantal tentoonstellingen en evenementen teruggeblikt op de revolutionaire beweging van weleer. Want revolutionair zijn ze allang niet meer. Mondriaan, Van Doesburg, Van der Leck en hun geestverwanten zijn, net als al die andere avant-gardes, veilig bijgezet in het pantheon van de kunstgeschiedenis. En dus hoeven ons niet meer het hoofd te breken hoe goed of slecht, hoe belangrijk of onbelangrijk, ze nu eigenlijk zijn. Dat hebben anderen al vóór ons gedaan.

Hoe anders moet dat zijn geweest toen het kunstminnend publiek voor het eerst werd geconfronteerd met dat werk dat zo radicaal anders was dan wat ze waren gewend. Bij een bevriend antiquariaat kwam ik in een jaargang van Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift uit 1913 een bespreking tegen van de eerste solotentoonstelling van Bart van der Leck, bij de zojuist geopende kunsthandel Walrecht in Den Haag. Cornelis Veth schreef er een interessante recensie over. En omdat, naar we mogen aannemen, de rechten na meer dan een eeuw wel zullen zijn vervallen, geef ik hier graag de volledige tekst weer.



WERKEN VAN VAN DER LECK , BIJ WALRECHT, DEN HAAG

Op het eerste gezicht was het zaaltje van dezen nieuwen kunsthandel, toen ik er binnen kwam, van een afstootelijke eentonigheid. Overal aan de wand hingen ingelijste, geschilderde dingen, die nochtans geen schilderijen waren. Vrijwel alle menschen-figuren, die daarop te zien waren – en het bleken er vele – waren “en profil” getekend en geschilderd ongeveer zoals men een muur verft, ingevuld dus met kleur, uit een kinder-verfdoosje. Meest tegen witte achtergronden. De gezichten van al die figuren waren daarenboven merkwaardig eenerlei, zoo al niet eender. Dezelfde neuzen en kinnen, en voorak in de neuzen en kinnen, en vooral in de oogen eeen sterke familie-gelijkenis. Het zal er alles erg primitief uit, en vooral gewild-simpel, zodat ik niet alleen de neiging zal hebben gehad, maar heen te gaan. Want er is niets zoo hinderlijk en onzuiver als coquetteeren met armoede en armoede van expressie-vermogen. Misbruik van handigheid is dom en gewetenloos; koestering en bewust behaagziek doen met onbeholpenheid is voluit oneerlijk, het is om zoo te zeggen oneerlijke concurrentie. De bekoring van een kinderteekening waaraan elke werkmanschap ontbreekt, is de argeloosheid; stel u voor, dat een kind tegen beter weten in, moedwillig twee oogen in een profiel gaat zetten, omdat het daarmee succes heeft, en – moedwillig nalaat naar beter te streven! Wie niet het beste geeft, wat hij kan, pleegt vervalsching.
Intusschen was er iets, dat mij in dit zaaltje vasthield; iets dat mij zeide, dat noch onhandigheid. Noch quasi-naïeveteit hier aan het woord waren, maar een zeer curieus gerichte, misschien niet bepaald wakkere, maar wel strak gespannen geest, die voor zichzelf toch wel verantwoord was zóó te doen. Een paar zwakke, maar wel expressieve en vooral tonige schilderijen naar meer realistischen aard waren daar om te bewijzen, dat deze vreemde zoeker voordien aan de waarde der eigenschappen, die hij nu verwaarloosde, toch had geloofd. Hoe simpel bovendien de vlakke kleuren op de figuren ook waren, ze hadden niet iets lukraaks, ze waren expressief. Nu en dan verried eenige tonigheid, of een meer geslaagd contrast den waarachtigen schilder.

In dat zeer simpele schikken der als uitgeknipte, allen in eenzelden sjok voort zich rijende figuren, was ongetwijfeld zekere rythme, er was bovendien wel een idee in uitgedrukt, zij het ook op te povere wijze en nog niet intensief genoeg. Een rij soldaten met witte broeken, was in zijn machinale bewegingen en uniformiteit (al was deze laatste te ver doorgevoerd, te innerlijk arm) niet zonder tragi-comiek, en zoo doet mijook een troep huzaren aan, in wier facies overigens waarlijk nu en dan een poging tot karakteristiek zich deed opmerken. Wat de voordracht, de uiterlijkheid aangaat, deed dit werk sterk denken aan illustratieve dingen van Müncheners als Diez bijv., men zou het zich  in kinder-prentenboeken of platen voor de kinderkamer denken, indien niet … een vrij sinistere levensbeschouwing achter deze rudimentariteit werd vermoed.  De indruk die deze met krampachtigheid simpel gehouden voorstellingen maken, is een pijnlijke. Er is in de expressie van alle figuren een soort van domme angst, een starre botheid. Er is iets in die figuren van automaten, die zich te pletter loopen. De schilder heeft, met een manier die ik niet voor een truc, maar voor een gedachtelooze wijze van zich herhalen wil beschouwen – wakker, rijk aan intuïtie, intellectueel is dit werk allerminst! – bijna alle oogen zwaar-zwart omlijnd, zoodat ze aan groote vogelogen doen denken, wat een vreemde vaagheid en afwezigheid aan de uitdrukking der koppen geeft. De zonderlinge harkerige wezens, met hun als langs een lineaal getrokken lijven, hebben hierdoor nog sterker dat bête, dat hulpeloze, dat niettemin tevens iets van de verfijning in zich heeft van de geslagenen.

Nu is het opmerkelijk, dat een in het midden van het zaaltje gehangen voorstelling, “De Blinden”, de expressieve deugden van de beste der andere op het mooist vertoont, terwijl het evenwel heel niet zoo gewild-simpel van voordracht is, en wij er niets van die opzettelijke uniformiteit in aantreffen. Zie hier een aanwijzing, die de schilder Van der Leck moge verstaan, die hem moge terughouden van al wat naar affectie zweemt, zelfs van die meest betamelijke sport van affectatie, welke voortkomt uit al te bewust streven! In dit zeer dramatische schilderij – als ik het zoo mag blijven betitelen – is een echter eenvoud dan in veel van de anderen, een eenvoud, die niet uit een ander soort behaagzucht, maar uit ernst voortkwam. Twee blinde mannen, ontstellend lugubwer in hun verwezenheid en hunuitdrukkingsloos hegffen van de hoifden met dien onnoozelen lach, zo vreemd omdat geen oogen er in deelem, worden geleid door een meiseje, dat  - bijna even tragische figuur – met zeer slechte wijdopenoogen, die den stareden, begriploozen blik van een imbeciel hebben, voor allen zien moet. Een van die blinde mannen is zwaar en beenderig, de ander – door een van die vreemde uitersten, die de natuur zich soms veroorlooft – buitendien nog gebocheld en “kijkt op” precies zoals onder zienden een kleinere naar een grotere doet Mij dunkt, Van der Leck heeft dit dit toneel gezien, en getracht het te geven zooals hij het navoelde, daarmede tevens bewijzend, dat er een instinct voor het waarlijk belangrijke in de werkelijkheid is, fdat door geen al te opzettelijk methodiseren kan worden verdrongen.



*   *   *

Het schilderij 'De Blinden' bevindt zich nu in de collectie van Museum Kröller Müller in Otterlo.

Wie geïnteresseerd is in deze bijzondere publicatie kan contact opnemen via info@prentwerk.nl.






zondag 19 februari 2017

EINDELIJK: BRAM VAN VELDE IN BEELD


De eerste keer dat ik levende beelden van Bram van Velde zag, was op de tentoonstelling in het Stedelijk Museum Schiedam in 1995. Er stond een klein beeldscherm waarop een filmpje te zien was waarin hij werd geïnterviewd. Korte antwoorden en lange stiltes, meen ik mij te herinneren. Het was, weet ik nu, een klein stukje uit een langere film die Jean Michel Meurice in 1980, een jaar voor zijn dood, over hem maakte. Toen het een poos later een keer ter sprake kwam in een gesprek met een fervent Van Velde liefhebber, merkte hij, met het tevreden lachje dat verzamelaars nu eenmaal eigen is als ze het hebben over hun collectie, op dat hij deze film in zijn bezit had. Losgepeuterd bij een Frans televisiestation, geloof ik. Een kopietje zat er niet in, daarvoor kende ik deze verzamelaar goed genoeg. En dat snapte ik ook wel. Je gaat niet iets heel bijzonders dat je met veel moeite hebt verworven zomaar even ronddelen. Begrijp ik, begrijp ik. Maar ik hoop dat u mij het licht sardonische genoegen vergeeft dat even bij mij opkwam toen ik deze week ontdekte dat de Parijse Galerie Hus het complete filmpje online heeft gezet.


                         https://youtu.be/MZJTAUNoZ3E
Klik op de afbeelding voor de video

En daar bleef het niet bij. Naar blijkt heeft Meurice zestien jaar eerder, in 1964, ook al een veel uitgebreider portret van Bram van Velde gemaakt. En ook dat is nu op YouTube te vinden, en het is prachtig. Veel dank, heren Hus!

https://youtu.be/Sgy1vISzEVI

Klik op de afbeelding voor de video

De geluidskwaliteit is niet altijd optimaal en er zijn momenten dat je wenste dat je Frans wat beter was, maar ik heb gefascineerd zitten kijken. En ik hoop u ook.

*   *   *


En dit is een originele foto van Bram van Velde gemaakt door Henny Riemens toen ze hem bezocht in Grimaud in 1978. Met veel moeite verworven. En nee, u krijgt geen kopietje.


woensdag 15 februari 2017

ED VAN DER ELSKEN, KAREL APPEL EN DE MUUR VAN ROTTERDAM (1955)


Vijftiger jaren. De tijd van de wederopbouw. Nederland zette de schouders eronder. Tien jaar na het eind van de Tweede Wereldoorlog werd het tijd om te laten zien wat de energie van al die Nederlanders tot stand had gebracht en in 1955 opende koningin Juliana in Rotterdam de Nationale Energie Manifestatie 1955, kortweg E55. Op een affiche werd het omschreven als een ‘tijdbeeld van een volk in actie... strijd en resultaat van Nederlands Energie... perspectief van een nieuw tijdperk’. Op de diverse locaties waren allerlei voorbeelden van Nederlandse bedrijvigheid te zien, zoals een jaknikker, een koeltoren, een mijnspoor, bruggen, vliegtuigen en treinen, een telefooncentrale en een gigantische maquette van het stroomgebied van de Rijn. Ruimtevaart kreeg gestalte in de vorm van een zestig meter hoge kraan met open gondels, maanmensen in ruimtepakken en een simulatie van gewichtloosheid. Er was landbouw en veeteelt, vertegenwoordigingen uit het bedrijfsleven die allerlei innovaties toonden, en paviljoens van de elf provinciën. E55 was de grootste tentoonstelling die tot dan toe in Nederland was gehouden. De manifestatie werd door drie miljoen mensen bezocht. Herman Haan maakte een amateurfilmpje, nu in het gemeentearchief van Rotterdam:

https://youtu.be/4SZppy-tQBE
Klik op de afbeelding voor de video

Er was ook kunst. De organisatie had een aantal kunstenaars, onder wie Constant, Wessel Couzijn, Daan Wildschut, Eppo Doeve, Wim Crouwel. De meest prominente plek, bij de entree van het Energiegebouw, was ingeruimd voor Karel Appel, die op uitnodiging van architecten J.H. van den Broek en Jaap Bakema een muurschildering maakte van honderd meter. Hij riep de hulp in van zijn Cobra-kompaan Theo Wolvecamp, die hij (volgens Catherine van Houts in zijn biografie) opbelde met de boodschap ‘Kom je me helpen? Dan verdien je wat.’ Later meldde zich ook een vijftienjarige jongen uit Enschede, een kennis van Wolvecamp. Zijn naam was Jan Cremer. Er bestaat nog een kort filmpje van, zonder geluid: 



https://youtu.be/wGASPeFC3f4
Klik op de afbeelding voor de video

De monumentale schildering werd (‘naar goed Rotterdams gebruik’, volgens het filmpje) na afloop afgebroken, maar werd wel vastgelegd, niet alleen op dit (heel) korte filmpje, maar ook door de jonge fotograaf Ed van der Elsken. Een van de originele afdrukken dook onlangs op bij een antiquariaat in Parijs, en verhuisde vervolgensnaar in Groningen. En daar is hij te koop.




maandag 30 januari 2017

NIEUWE AANWINSTEN OP PINTEREST


Het valt niet mee, modern leven! Steeds maar weer nieuwe manieren proberen te verzinnen om al die bijzondere kunstboeken die nu weer zijn binnengesleept onder de aandacht te brengen van al die mensen van wie je weet dat ze wel geïnteresseerd zijn, maar die er om de een of andere reden zelden toe komen om de onafzienbare brei van titels op Bol, Amazon, Boekwinkeltjes en wat dies meer zij even te laten voor wat het is en gericht te gaan kijken op de uitgebreide Prentwerk website, waar je ook nog een keer betere beschrijvingen en veel meer plaatjes krijgt.

Voor al die liefhebbers nu een geheel eigentijdse manier om nooit meer iets te missen. Alle nieuwe Prentwerk aanwinsten komen meteen op Pinterest:

https://nl.pinterest.com/prentwerk/whats-new/


Een klik op 'Volgen' is genoeg!

dinsdag 12 juli 2016

'DE BRAAFSTE KUNST VAN DE WERELD'




Een paar maanden geleden schreef ik naar aanleiding van de Banksy-tentoonstelling in Amsterdam een stukje over de teloorgang van de Street Art. Vorige week kreeg ik door een kennis een artikel van Larissa Kikol uit de Duitse krant De Zeit over hetzelfde onderwerp toegeschoven. Aanleiding voor het stuk was het feit dat Kunsthaus Artes (‘Versandhaus für Kunst’) in een nieuwe catalogus onder de, geleende, slogan ‘Follow your dreams’ nu ook werken van ‘street artists’ aanbiedt. Klanten kunnen al vanaf het luttele bedrag van 140 euro prenten, sjabloonschilderingen en spraycan objecten thuisbezorgd krijgen. Het voert, helaas, te ver om het hele artikel samen te vatten, maar Kikol zegt een aantal behartigenswaardige dingen en enkele passages wil ik u, in een losse vertaling, niet onthouden.


- Aan de basis van het succes van de street art ligt de mythologisering van een figuur als Jean-Michel Basquiat. Kopers moeten in de waan gebracht worden dat de bonte schilderijen van hier gepresenteerde ‘urban artists’ over een paar jaar net zoveel in waarde zullen zijn gestegen als die van Basquiat of Keith Haring.

- ‘Follow your dreams’ is niet alleen een reclameslogan bedoeld voopr kunstinvesteerders, maar ook voor verzamelaars die door middel van coole urban art hun eigen imago willen verjongen.

- Zodra street art in het atelier wordt nagemaakt, eindigt alles in kitsch.

- De aantrekkingskracht van de street art valt te verklaren uit het feit dat de zich steeds weer herhalende, eenvoudige en vriendelijke beeldtaal even gemakkelijk te begrijpen is door een kind van acht als door volwassen leken op het gebied van kunst en door geïnteresseerde kunstkopers. Zo wordt urban art de perfecte gezinskunst. Je hebt er geen achtergrondkennis voor nodig, hoeft niet hoger opgeleid te zijn of in het bezit van een gecompliceerd gevoelsleven. Em bovendien heeft het ook nog een politiek en moreel  veranwoorde boodschap. Daarmee is het domesticeringsproces voltoooid en is urban art / street art met afstand de braafste kunststroming geworden die we in lange tijd hebben gezien.




- Hangen de street art kunstenaars over een poosje nog in de reguliere musea? Nee, misschien met een enkele uitzondering, zoals Banksy. Wat wel blijft is de herinnering aan een kunststroming die op een unieke manier evenveel greep kreeg op de de reclame, de kunstmarkt en de beeldtrends op de sociale media.

Ganz einverstanden!




maandag 25 april 2016

GOTCHA!

 ‘Nederland wordt overstroomd door valse Luceberts, waarschijnlijk valse Luceberts, mogelijk valse Luceberts, en soms ook echte Luceberts. Dat is treurigmakend en frustrerend.’

Dat schreef ik begin maart over het schrikbarend aantal valse en dubieuze Lucebert werken dat op diverse plaatsen wordt aangeboden. Het frustrerende daarbij is dat, bij gebrek aan een algemeen erkende autoriteit, die vals-verklaringen onvermijdelijk een subjectief karakter hebben en gebaseerd zijn op ervaring, niet op feiten. Dat betekent dat de ene mening zwaarder telt dan de andere, maar dat de valsheid zelden met harde bewijzen te staven is.  

Neem deze gemengde techniek. Helemaal niet onaardig. Er zit ook wel iets Lucebert-achtigs in, maar toch … Het is wat veel allemaal, wat veel lijnen, wat veel kleuren. Toch maar eens wat gaan rondkijken.





En ja hoor, deze keer hebben we geluk. Bij veilinghuis AAG is ooit deze tekening geveild. En bij deze heb je geen enkele twijfel. Dit is een echte Lucebert, signed all over. En wat blijkt als we ze vergelijken? Ons kunstratje heeft hem gewoon nagetekend, en nog wat aangedikt hier en daar om hem nog echter te laten lijken. Zelfs de datum heeft hij letterlijk overgenomen.  





En wat is het treurige? Het eerste werk werd niet aangeboden door een gesjeesde kunstenaar die zo wraak wilde nemen op de kunstwereld die niets van zijn werk moest hebben, of door een sjappie met teveel tattoos die hem ‘op een rommelmarkt had gevonden’. Nee, hij kwam van een niet geheel onbekende kunsthandel, waarvan de eigenaar ‘instond voor de echtheid’.

Heb meelij met de arme veilingmeester.

zaterdag 9 april 2016

CRYING ALL THE WAY ... - DE TELOORGANG VAN DE STREET ART



Een poosje geleden werd bij mij in de buurt een winkel verbouwd. Er werd een grote blankhouten schutting omheen gezet. Dat is natuurlijk vragen om moeilijkheden. Vroeger stond er dan op ‘Verboden aan te plakken’ op, maar tegenwoordig roepen eigentijdse aannemers ‘No tags’. Het resultaat is hetzelfde natuurlijk. Dovemansoren. Op een morgen stond er op de schutting opeens een tekening van een mannenkop, wel twee meter hoog, en nog mooi ook. ‘Street art’. Vergeten hem te fotograferen. Ach, maar waarom ook eigenlijk? Ondertussen is de nieuwe pui klaar en is de schutting verdwenen. En de kop dus ook.

Op Facebook maakt een stadgenoot, die vast en zeker ongenoemd wil blijven, een serie onder de titel ‘BuskrijtBlog’, waarin hij foto’s plaatst van opschriften en muuschilderingen die hij ergens in de stad heeft aangetroffen. De argwanende lezer zal niet helemaal uitsluiten dat hij zelf in alle vroegte de echtelijke woning heeft verlaten om gewapend met een doos krijtjes de stad hier en daar wat op te sieren, maar daar gaat het nu niet om. Je kunt er iets van vinden, of niet, maar ‘street art’ is het wel. Een paar flinke regenbuien en het is weer weg.

Zo hoort het ook. Street art is misschien wel per definitie tijdelijk, vluchtig. Of zou dat in ieder geval moeten zijn. But we have come a long way. Neem Banksy. Het was zo’n mooi verhaal. Een anonieme kunstenaar die op allerlei plekken beelden achterliet, geestig, intelligent, en nog goed gemaakt ook. Ze werden bekeken, gefotografeerd en gedeeld. Voordat de gemeentereiniging kwam om ze weg te spuiten? No way. Er werd een hek omheen gezet. Maar ze werden uitgehakt, gestolen en duur verkocht. Er werden, al dan niet legaal, prints van gemaakt, die vervolgens opdoken op veilingen. Er werd een stichting opgericht om zijn copyright te beschermen. En nu, als laatste of misschien een na laatste stap, heeft Banksy een heuse tentoonstelling. Zonder zijn toestemming, dat nog wel, maar dan nog.


‘Wat subversief begint, eindigt soms tandeloos in een gouden lijst.’ Met die constatering begint Arjen Ribbens zijn artikel in de NRC over het nieuwe, particuliere, ‘Moco Museum’ in Amsterdam. ‘In soms wat protserige lijsten en afgeschermd door koorden presenteert het Moco Museum tachtig werken van Banksy.’ Ultieme triomf, of ultieme teloorgang? Ik vrees het tweede.

‘Street artists’ zijn allang niet meer van de straat. Ze zijn met open armen ontvangen door dezelfde kunsthandel waaraan ze eerder zo’n hekel hadden, en zijn vervolgens effectief  doodgeknuffeld. Street art is gewoon business geworden. De moderne street artist heeft gewoon een eigen website, waar je de prenten kunt bestellen. En als de oplage op is, maken we gewoon een nieuwe. Red version, yellow version, purple version. As long as it sells. Een in deze contreien niet geheel onbekend online veilinghuis heeft zelfs een speciale veiling ‘Van street art tot urban art’, waar dit soort prenten wordt aangeboden, niet door de makers zelf natuurlijk, maar door allerlei tussenhandelaren die er wat geld aan hopen te verdienen. Het grootste deel is eigenlijk alleen maar saai, gemakzuchtig gemaakt, met een overkill aan Marilyn Monroe portretten en bewerkte dollarbiljetten.

Controversieel, subversief, anarchistisch? Vergeet het maar. Ergens is iets heel erg fout gegaan in die ‘street art’.

(wordt misschien vervolgd)



zondag 6 maart 2016

HEB MEELIJ MET DE ARME VEILINGMEESTER



Wees maar blij, beste lezer, dat u geen veilingmeester bent! Daar zijn natuurlijk een heleboel redenen voor te bedenken, maar een ervan is toch zeker dat u dan onvermijdelijk wordt bestoookt met ‘originele Lucebert tekeningen’. En dan is het aan u  om in ieder individueel geval uit te maken of het werk echt is of niet, en of u het dus wel of niet in de veiling kunt opnemen. En laten we eerlijk zijn, dat is een lot dat je niemand toewenst.

Lucebert was een genie, maar een ongrijpbaar genie. Zelfs als je het werk goed kent en denkt dat je genoeg criteria hebt om een werk op echtheid te beoordelen, zet hij je geregeld op het verkeerde been. Dan kom je in een catalogus weer een werk tegen dat al je zorgvuldig beredeneerde criteria in een klap weer omver lijkt te kegelen. Of je ziet een werk waarbij je onmiddellijk het onaangename gevoel krijgt dat je, als dit je buiten iedere context was voorgelegd, toch op zijn minst ernstige twijfels zou hebben. Het is die onvoorspelbaarheid die het artistiek-criminele circuit, dat graag een paar euro’s bijverdient, in de kaart speelt. Lucebert maakt vreemde grillige tekeningen, dus een vreemde grillige tekening zou heel goed van Lucebert kunnen zijn, zeker als je bestaande werken als voorbeeld neemt en een beetje oefent op de handtekening. 

In het geval van Karel Appel kun je een werk voorleggen aan de Karel Appel Foundation, of aan Jan Nieuwenhuizen Segaar, bij Heyboer kun je de weduwen vragen, maar Lucebert is er niemand wiens oordeel als definitief kan gelden. Een goedwillende verkoper die twijfels had over een schilderij en Luceberts dochter benaderde, kreeg geen antwoord. Lijkt niet correct, maar is ook wel weer begrijpelijjk. Als ze zou ingaan op alle verzoeken om werken van haar vader op echtheid te beoordelen, kon ze binnenkort iedere andere baan wel opzeggen.

Hieronder staat de oogst van een weekje Marktplaats, voor zover het 'origineel werk' betreft. Het lijkt me weinig zinvol om ieder werk apart te gaan bekijken (ik kijk wel uit met al die boze verkopers), maar als u het mij zou vragen (en ik ben blij dat u dat niet doet) zou ik toch zeker zeven werken als ‘vals’ aanmerken, en vier als ‘twijfelachtig’. Dat wil niet zeggen dat die laatsten waarschijnlijk ook vals zijn, maar gewoon dat ik er geen stellige uitspraak over durf te doen. Maar er is niet één bij waarvoor ik mijn hand in het vuur zou durven steken, voor wat dat waard is. Nederland wordt overstroomd door valse Luceberts, waarschijnlijk valse Luceberts, mogelijk valse Luceberts, en soms ook echte Luceberts. Dat is treurigmakend en frustrerend.

Maar wie moet het dan wel zeggen? Juist, de veilingmeester. En wel meteen. Ja of nee. Vals of echt. 

Arme ziel.


















vrijdag 4 maart 2016

LOST IN THE ART WORLD 4: De loze suggestie



De laatste aflevering van Lost in the Art World, ooit bedacht als een een miniserie over dubieuze praktijken, bedrog en vervalsing in de kunstwereld en daarmee als tips voor de argeloze veilingbezoeker, dateert alweer van lange tijd geleden, maar soms kom je een voorbeeld dat zo illustratief is voor bepaalde praktijken dat het toch nuttig is om er nieuw stukje aan te wijden. Zoals bij dit luxe ingelijste werkje dat wordt omschreven als ‘Vissersvrouwen’, ‘gemengde techniek’, voorzien van ‘G.H.B. initialen’.




Formeel valt daar ook niets op aan te merken. Natuurlijk, het veilinghuis weet donders goed dat dit geen tekening van George Hendrik Breitner is, anders hadden ze het wel op topstuk in hun kunstveiling gepresenteerd, en niet weggestopt in een inboedelveiling. Maar de maker heeft wel geprobeerd die indruk te wekken, in de stille hoop dat tussen al die kijkdaggangers iemand rondloopt die, misschien tegen beter weten in, wordt bevangen door het ‘klappergevoel’, de ijdele hoop dat hij iets heeft ontdekt dat niemand anders heeft gezien, zelfs het veilinghuis niet, en dat hij zich met een beetje geluk binnenkort voor een paar tientjes de trotse eigenaar mag noemen van een echte Breitner. Want je weet maar nooit.

Allemaal onzin natuurlijk, en in dit geval zal alleen de meest onervaren veilingbezoeker daar misschien intrappen. Maar waarom dit werkje dan toch opgenomen? Zo wordt toch op zijn minst de schijn gewekt dat ook de veilinghouder het heeft gemunt op die enkele naïeveling, in de hoop dat, als er daar toevallig twee van zijn, de prijs nog redelijk kan oplopen.

Veilinghouders, gewoon niet doen! De inbrenger gewoon meedelen dat hier een valse suggestie wordt gewekt en dat het werkje dus niet geschikt is voor de veiling. Als iedereen dat zou doen, had de onbekende maker zich een hoop moeite kunnen besparen.

vrijdag 16 oktober 2015

ODE AAN PAULA



De foto's die Hendrik Kerstens in de loop der jaren maakte van zijn dochter Paula hebben in korte tijd een klassieke status verworven en worden met groot succes geëxposeerd in galeries en musea over de hele wereld. Ook in de Verenigde Staten, zoals mag blijken uit de beschrijving van deze uitgave door een vooraanstaand Amerikaans antiquaar, die het  aanduidt als 'one of the most beautiful art photography books of our time' en 'a contemporary art photography classic'.

Mooie foto's, dacht ik toen ik ze een paar jaar geleden voor het eerst zag, maar ook een beetje een 'gimmick'. Even is leuk, maar je kunt er niet eindeloos mee doorgaan. Maar nu ik vorige week twee 'Paula-boeken' tegelijk binnenkreeg en weer uitgebreid en gefascineerd heb zitten bladeren, blijkt opnieuw hoezeer ik het destijds bij het verkeerde eind had. Want de foto's blijven, ook na verloop van tijd, moeiteloos overeind. Alleen waarom? In de meeste teksten over Kerstens' foto's wordt breed uitgemeten hoe de fotograaf een brug weet te slaan tussen hedendaagse fotografie en de klassieke Nederlandse schilderkunst uit de zeventiende eeuw, met name Vermeer. Het heeft te maken met positionering, en met belichting, en het is helemaal waar. Briljant gedaan. 




Maar er komt nog iets bij. In laatste instantie is het niet de uitdossing, de theedoek op het hoofd, bubbeltjesplastic, een prullenmand, al die mooi uitgewerkte ideeën die de foto's de moeite waard maken. Want de werkelijke ster is Paula zelf. Een prachtig klassiek gezicht, steeds in dezelfde houding gefotografeerd: schuin van opzij, het hoofd iets gedraaid, de blik in de camera, ernstig kijkend. Maar juist door deze formeel bijna identieke opstelling valt op hoezeer zij iedere foto een andere gevoelswaarde weet te geven, door subtiele verschillen in gezichtsuitdrukking, de blik in haar ogen.  Natuurlijk, vader Kerstens heeft het allemaal gezien, en vastgelegd. Maar zonder model geen fotograaf. Hendrik Kerstens mag zich gelukkig prijzen met zo'n dochter, maar zeker ook met zo'n model.






In september 2013 waren Hendrik en Paula Kerstens te gast bij Pauw en Witteman:





ZANGERES ZONDER NAAM ZINGT LUCEBERT




Blij met een nieuwe aanwinst: De Soldatenmoeder, gezongen door de Zangeres Zonder Naam, tekst van Lucebert, muziek van Bruno Maderna. Zij 'heeft haar zonen in de krijg verloren/ Zij haat de roden nu, die ziet ze overal'. De roden komen binnen, 'in brood verborgen', en wonen 'onder de vloeren van haar huis'. De soldatenmoeder eindigt als lichtekooi die zich 'geeft aan Vietkongsoldaten' . 'O mensen, dit deden de rooien uit Hanoi'.

Hartverscheurend, nietwaar? En uiterst zeldzaam. Maar staat niet in de Verzamelde Gedichten. Waarom eigenlijk niet?

zondag 8 maart 2015

HET VALSE APPEL ARCHIEF - aflevering 18





Onlangs werd ik erop attent gemaakt dat in het Valse Appel Archief een van de meest voorkomende vervalsingen ontbreekt, namelijk de Ariel-vogel uit 1974. Dat klopt, en een goede reden kan ik er niet voor bedenken. Geen zin meer waarschijnlijk. Maar hierbij alsnog.

Eerder in het VAA  is al ter sprake gekomen hoe sommige galeries voor een tentoonstellingsaffiche gebruik maken van een bestaande litho. Als de reguliere editie van bijvoorbeeld 100 genummerde en gesigneerde exemplaren klaar is, wordt van dezelfde stenen, vaak op goedkoper papier, het tentoonstellingsaffiche gedrukt, met toegevoegde tekst.
Maar het gebeurt ook dat een prent alleen in affichevorm wordt uitgebracht, en in sommige gevalen lijkt een vervalser dan de omgekeerde weg te bewandelen. Hij neemt het beeld van het affiche als uitgangspunt, laat de tekst weg en wil zo de liefhebber laten geloven dat er ook een reguliere editie gesigneerde editie bestaat, terwijl dit niet het geval is. We hebben dit gezien bij het Collection d’Art affiche in aflevering 11 en bij het Palm Springs affiche in nummer 10. Een vergelijkbaar geval is de aankondiging die Appel in 1974 maakte voor Galerie Ariel in Parijs.   



De vervalsing lijkt een vrij exacte kopie, maar bij nadere bestudering  vallen in ieder geval twee dingen op. In het origineel zitten hier en daar kleine zwarte randjes, bijvoorbeeld boven het linkeroog en aan het eind van de rode krul in het midden. Ze suggereren dat bij de eerste drukgang het gehele beeldvlak zwart werd gemaakt, en dat deze zwarte ondergrond na de volgende drukgangen hier en daar nog in het beeld kierde, op plekken waar de vlakken net niet helemaal op elkaar aansloten. Slordigheid, zou je kunnen denken, maar het levert ook een wat levendiger beeld op dan de wat steriel aandoende  vervalsing. Gemakkelijker om te herkennen is echter het bovenste oog, dat in het originele affiche werd gedrukt in zwart en paars, maar in de vervalsing zwart en rood is. Waarbij opgemerkt mag worden dat afwijkingen in een vervalsing niet per definitie een verslechtering zijn.

Een uiterst nuttig naslagwerk voor de affiches van Appel, en vele anderen, is de tweedelige set Arte Affiches, uitgegeven door Adrien Maeght in 1985. De boeken geven een overzicht van alle Arte affiches van 1964 tot 1977. In het colofon worden ons nog twee delen in het vooruitzicht gesteld, die de periode 1978-1985 zouden behandelen, maar die zijn, bij mijn weten, nooit verschenen. Ik heb  ze in ieder geval niet kunnen vinden. Hoe dan ook, deel II geeft op als nr 256 een paginagrote afbeelding van dit affiche.






.

dinsdag 3 maart 2015

HET VALSE APPEL ARCHIEF - aflevering 17




In de loop van de 16 delen van het Valse Appel Archief is een aantal keren verwezen naar de eerste aflevering van het televisieprogramma Het Zwarte Schaap. De opzet van het programma was om steeds een bekende Nederlander uit te nodigen die als ‘controversieel’ kon worden gekenschetst, variërend van Willem Oltmans en de weduwe Rost van Tonningen tot medium Jomanda en Centrum Partij voorman Janmaat. Zij werden ondervraagd door Inge Diepman, die destijds (terecht) werd beschouwd als een opkomend talent in medialand, maar die niet heel lang daarna om onduidelijke redenen weer van het scherm verdween. Om het geheel wat levendiger te maken, werden ‘achter het hek’ ook een aantal mensen uitgenodigd die een duidelijke mening over de gast in kwestie hadden, in de hoop dat zo een levendige discussie zou ontstaan. En dat lukte in veel gevallen ook, soms iets levendiger dan misschien wel de bedoeling was.

De eerste aflevering was gewijd aan Geert Jan Jansen, en omdat het een nieuw programma was, kreeg het veel aandacht in de media. Naast Jansen waren als gasten onder meer uitgenodigd Jan Pieter Glerum, Neerlands knuffelveilinghouder, Jan Nieuwenhuizen Segaar, algemeen gerespecteerd Appel-expert, Jeff Hagen, taxateur, en Henk Plenter en Erna Jansen, bestierders van het Valse Kunst Museum in Vledder.

Het werd een buitengewoon geanimeerde discussie, waarin Inge Diepman niet schroomde om een aantal scherpe vragen te stellen, iets wat niet altijd gezegd kan worden van latere interviewers. Maar het amusementsgehalte werd toch ook bepaald door de andere gasten, zoals Jeff Hagen, die zich bozer maakte dan goed voor hem was, en door Henk en Erna Plenter, die de show stalen met hun ‘naïeve’ valse kunst verhaal.

En, het moet maar gezegd worden, mocht u op de gastenrij denken schrijver dezes te herkennen, dan klopt dat. Hij was ook uitgenodigd, net als de beeldschone kunsthistorica naast hem. Maar toen twee uur studiodiscussie uiteindelijk moest worden ingekort tot drie kwartier, vielen zowel hij als zij ten prooi aan de schaar van de redacteur. Niet interessant genoeg. Geen leuke televisie. Hebt u enig idee wat dat met iemands ego doet? Maar je moet ermee leren leven.

Het programma is, in vier delen, terug te kijken op YouTube. Desalniettemin van harte aanbevolen.


http://youtu.be/2sgBwU6tckU

HET VALSE APPEL ARCHIEF - aflevering 16



De derde prent waarop de Appel-kenners in de Art Crime uitzending van Discovery Channel hun krachten mochten botvieren was een kleurenlitho uitgegeven door L'Oeuvre Gravée, de beroemde uitgeverij van Nesto Jacometti die bij elkaar 40 stuks Appel-grafiek heeft uitgegeven. Ze staan allemaal beschreven in deel 1 van de 'Lascito Jacometti', een overzicht van alle kunst die hij had verzameld en zelf had uitgegeven. De Appel-prenten dragen de nrs LNJ 2 t/m 41. Deze kleurenlitho heet 'Confidences' en dateert uit 1969.

Op dit punt deed zich echter een ernstig probleem voor. Zodra de prent in beeld kwam, stond er met grote letters 'vals' op het scherm. VanderVet en Daniels bekeken het blad van voren en achteren en kwamen beiden uiteindelijk tot de conclusie dat deze toch 'goed' moest zijn. De handtekening leek weliswaar een beetje knullig, maar het papier droeg wel het droogstempel van Oeuvre Gravée, en verder leek er ook weinig mis mee. Toen ze te horen kregen dat het hier om een vervalsing ging, waren hun reacties opmerkelijk. Daniels was verbaasd, en enigszins sceptisch. VanderVet ging een stap verder en besloot de scene met een gedecideerd: 'Ik ben het er niet mee eens!'

De redactie wist het ook even niet meer. In de inleiding was nog gesproken van een meesterlijke vervalsing, geleend van Geert Jan Jansen zelf. Wat was er aan de hand?





'We zullen het nooit weten,' zei de commentaarstem. Misschien is dat wel zo, maar er vallen toch wel enige kanttekeningen te maken. Wat vervalsingsrisico betreft zit deze prent wel in de gevarenzone. Rond 1965 verandert Appels stijl. Na zijn dynamische, meer tekenachtige stijl (volgens sommigen, onder wie yours truly, zijn beste periode) begint hij nu te werken in grotere, tamelijk egale kleurvlakken, en het is juist deze stijl die zich leent voor vervalsing door middel van zeefdruk, omdat het beeld op te delen is in vlakken en vlakjes. Daar staat tegenover dat je deze prent betrekkelijk weinig tegenkomt, in tegenstelling tot de vele bekende vervalsingen, die je voortdurend op de verkeerde plaatsen aantreft. Statistisch gezien is de kans dat hij vals is dus kleiner. Maar dat is nauwelijks bewijs te noemen.

Maar er is nog iets. De zwakke plek in de organisatie van het programma was natuurlijk dat in ieder geval een deel van de prenten was geleend van Jansen zelf. De vogelkop was al eerder als vervalsing geïdentificeerd en wie ooit een lezing van Jansen heeft bijgewoond, weet dat hij daar ook geregeld dit soort Appel-tekeningen bij zich had. Ook op de valse-kunst-exposities waartoe sommige al dan niet artistieke ondernemers zich hebben laten verleiden, was geregeld dit soort werk te zien (en te koop). Niet echt heel moeilijk te determineren dus. Maar Jansen is niet gebaat bij duidelijkheid. Wat hij nodig heeft is mysterie, onzekerheid. Te pas en te onpas herhaalt hij dat er werk van hem in beroemde musea hangt. Natuurlijk zegt hij niet welke, want dan is de lol eraf. Experts van de grote veilinghuizen laten zich bedotten, zegt hij, ja, zelfs Karel Appel zelf weet niet meer of sommige werken nu van hem of van Jansen zijn.

Maar dit alles is natuurlijk een bewust gekozen strategie. Al deze dingen dragen bij tot het in stand houden van de door hemzelf gecreëerde mythe. We zijn ons leven niet zeker, want ieder schilderij van een grote meester zou wel eens van de hand van Jansen kunnen zijn. Maar het moment er duidelijkheid komt, is Geert Jan Jansen voor de media niet interessant meer. Hij kan zich dus niet permitteren dat de experts precies kunnen meedelen welke prenten goed zijn en welke niet, want dat zou het einde van de mythe betekenen. En die mythe streelt niet alleen zijn ego, het betekent ook publiciteit en brood op de plank. Zelf verklaarde hij in kleine kring dat hij voor Discovery 'een perfecte vervalsing' had meegegeven, met vervalst Oeuvre Gravée droogstempel en al.

Het zou kunnen. Maar ik houd ook terdege rekening met de mogelijkheid dat 'Confidences' gewoon een echte Appel was, maar dat Jansen hem zelf als 'vals' had aangemerkt, om de verwarring compleet te maken. Gewoon voor de zekerheid. Want de (impliciete) bedoeling van de Appel-quiz was natuurlijk om te laten zien dat de experts het ook niet weten en elkaar tegenspreken. Als de panelleden feilloos en unaniem de valse van de echte werken hadden weten te scheiden, was het programma, in zekere zin, mislukt. Dan was de meestervervalser gewoon door de mand gevallen. Einde verhaal. En daar was niemand bij gebaat geweest, de programmamakers niet, en Geert Jan Jansen al helemaal niet.

.